Bij de dood van Lockerbie terrorist al-Megrahi

Het was een prima weekend voor de Britse premier David Cameron. Hij stak de handen triomfantelijk omhoog toen hij zag hoe Chelsea Bayern München versloeg in de finale van Champions League. Er is een foto van dat moment. De euforie is Cameron aan te zien.

Goed mogelijk dat hij de handen ook blij omhoog wierp toen hij hetzelfde weekend hoorde dat in Libië al-Megrahi, de dader van de Lockerbie-terreuraanslag, was overleden aan kanker. De aanslag speelde zich af op 21 december 1988: een Pan Am-toestel ontplofte boven het Schotse Lockerbie. Alle 259 inzittenden kwamen om het leven. Elf inwoners van Lockerbie werden dodelijk getroffen door de neerstortende brokstukken.

Al-Megrahi, de dader van de terreuraanslag in Lockerbie. Dat is zoals hij consequent door de pers wordt omschreven. Toen Schotland hem in 2009 vanwege zijn prostaatkanker vervroegd vrijliet, ontketende dat een storm van protest. David Cameron, toen nog oppositieleider, was faliekant tegen de vrijlating. Dit weekend bracht Cameron dat in herinnering: “al-Megrahi had nooit mogen worden vrijgelaten”, liet de premier de Britse pers weten.

Misdaden worden begaan door boeven. We wensen zulke boeven hun verdiende loon toe. Dat geldt ook voor de boef die het drama in Lockerbie op zijn geweten heeft. Maar is al-Megrahi deze boef? Er is ruimte voor veel twijfel. Om te begrijpen waar ‘m dat in zit, moet men weten dat al-Megrahi vooral op een getuigenverklaringen werd veroordeeld. Het gaat om een getuigenverklaring van de wankele soort. De zeer wankele soort.

Het Pan Am-vliegtuig ontplofte omdat een van de koffers aan boord een explosief bevatte. In de fatale koffer zaten ook nieuwe kleren. Knappe speurders wisten te achterhalen dat de kleren waren gekocht in een winkel op Malta, ergens eind 1988. Het was in september 1989 dat de speurders de baas van de winkel ondervroegen over de klant die de kleren had gekocht. Want deze klant moest wel iets te maken hebben met de fatale koffer, redeneerden de speurders.

De winkelbaas gaf een vage beschrijving: de klant had Libisch gesproken, was corpulent, had een groot hoofd en hij had geen baard. De winkelbaas kreeg foto’s te zien van potentiële terroristen. Maar de winkelbaas weifelde. Elke keer weer zochten de speurders hem op. En telkens moest de winkelbaas naar foto’s van verdachten turen. Uiteindelijk, na twee jaar, wees hij aarzelend al-Megrahi aan. Het was pas in 1999 dat de speurders de winkelbaas een Oslo-confrontatie lieten ondergaan. Te midden van een aantal figuranten stond al-Megrahi opgesteld. De winkelbaas dacht dat al-Megrahi nog het meest leek op de klant die eertijds de kleren had aangeschaft. Je kon niet zeggen dat de winkelbaas zeker van zijn zaak was. Dat veranderde tijdens het proces tegen al-Megrahi in 2000. Nu bleek de winkelbaas inmiddels heel stellig over wie de kleren had gekocht: het was wis en waarachtig al-Megrahi geweest. Maar ondertussen had de winkelbaas wél een artikel gelezen over het Lockerbie-drama, compleet met foto van al-Megrahi als dader. Nogal wiedes dat je daar heel stellig van wordt.

De stelligheid van de winkelbaas maakte indruk op de rechters en al-Megrahi werd tot een lange gevangenisstraf veroordeeld. Later zou de Scottish Criminal Cases Review Commisson – enigszins te vergelijken met onze Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) – zeggen dat de veroordeling verdomd riskant was. Zou best wel eens kunnen dat het een gerechtelijke dwaling was, schreef de commission. De redenering valt perfect te volgen. Als het u niet lukt, probeert u zich dan voor te stellen dat de politie u vraagt om de baas van de Franse camping, waar u 10 jaar geleden verbleef, aan te wijzen in een set van tientallen foto’s.

“Vandaag is een dag om de slachtoffers van een gruwelijke terreurdaad te herdenken”, zei David Cameron toen hij hoorde van de dood van al-Megrahi. Net als wij allemaal hoopt Cameron dat de slechterikken uiteindelijk verliezen en hun verdiende loon krijgen. Maar of al-Megrahi die slechterik is? Dat is stukken minder zeker dan dat Chelsea van Bayern München won.

Literatuur:

Loftus, E.F. (2011). Intelligence gathering post-9/11. American Psychologist, 66, 532-541.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Bevrijding in de jeugdzorg

Op 4 mei was ik te gast bij Nieuwsuur. Ik gaf een reactie op het nieuws dat de twee overvallers van de Haagse juwelier Stratmann al jaren bekend waren bij hulpverleners, maar dat zij geen grip op de jongens kregen.  Zie het artikel in het Algemeen Dagblad: Overvallers-juwelier-glipten-uit-greep-hulpinstanties.dhtml.

Ik schreef dit blog in reactie op de uitzending.

Bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) komt een melding binnen dat een 12-jarige jongen regelmatig met blauwe plekken op school komt. Ook spijbelt de jongen en gaat hij om met oudere jongens die in de criminaliteit zitten. Het AMK stelt een onderzoek in en vindt de situatie zo ernstig dat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) geïndiceerd is.

Alleen de RvdK heeft de bevoegdheid om de rechter te adviseren over een eventuele OnderToezichtStelling (OTS) en/of uithuisplaatsing van een kind. De RvdK moet dan vaak het onderzoek van het AMK voor een deel ‘over’ doen. Als die OTS wordt opgelegd door de rechter, dan krijgt het gezin te maken met een gezinsvoogd die toezicht houdt op de maatregelen die in de OTS-beschikking van de rechter worden vermeld. Daarnaast krijgt het gezin te maken met hulpverleningsinstanties; dat zijn er soms meerdere, voor het kind en/of de ouders. Dit is een inefficiënt en bureaucratisch systeem, waarbij het eerste doel, namelijk het bieden van adequate hulp zodat het kind weer veilig kan opgroeien, te vaak volledig uit beeld raakt.

Ik ken geen ander land waar dit op deze manier geregeld is. In Engeland is er één instantie, Children’s Services, die de verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid van het kind als er sprake is van kindermishandeling en/of een kind ernstige gedragsproblemen heeft. Deze organisatie doet de diagnostiek, belegt een case conference met de professionals die het gezin gaan helpen, en is verantwoordelijk voor het toezicht op de uitvoering van de hulp. De organisatie is verplicht de gezinnen in de tijd te volgen zodat de kinderen ‘in beeld’ blijven.

Ook in deze situatie, waarin de professionele verantwoordelijkheid duidelijk geregeld is, gaan er soms zaken mis. Lees het Munro Review of Child Protection. Maar de voorwaarden voor een succesvolle begeleiding van gezinnen met problemen zijn in zo’n systeem wel een stuk beter. Dr. Eileen Munro verwoordt het op p. 52 van haar rapport als volgt: “One of the strengths in the English child protection system is the extent to which the many agencies and professions work together to coordinate their work with children and families”. Dit is geregeld in de Children Act van 2004.

Kinderen langer onder toezicht stellen, zoals de directeur van Bureau Jeugdzorg Haaglanden in de Nieuwsuur uitzending van 4 mei voorstelt, is geen oplossing als de hulp niet deugt. Er moet nodig gesnoeid worden in het woud van instanties binnen de Nederlandse jeugdzorg. Daarnaast dient er geïnvesteerd te worden in de (academische opleiding) van professionals in de jeugdzorg.

Dit blog verscheen ook op de Nieuwsuur website: http://nieuwsuur.nl/blog/2012/05/06/bevrijding-in-de-jeugdzorg/#more-382.

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | Een reactie plaatsen

Onveilig gevoel!

Krantenkop in De Limburger van woensdag 18 april 2012: “Onveilig gevoel bij 93 procent”. Het gaat om bewoners van Maastricht Noordoost, legt de krant uit. Het alarmerende cijfer komt uit een rapport van het onderzoeksbureau Van den Bighelaar en Honig. Het Bureau vond ook dat in 2010 96% van de bewoners zich onveilig voelde. Een daling van 3%. De verantwoordelijke wethouder, zo schrijft de krant, ziet het als een hoopvol teken.

Waarom toch zo bescheiden, wethouder? In 2010 namen 903 van de pakweg 5000 bewoners – jawel, dat is 18% – van Maastricht Noordoost de moeite om de Grote Bighelaar-Honig OnveiligheidsMonitor in te vullen. In 2012 voelden zich nog maar 796 bewoners door het hele thema aangesproken. Hey, dat is 16%. Laat 16% nou net het landelijk gemiddelde zijn.

De krant had dus ook kunnen koppen: “Onveilig gevoel in Noordoost op landelijk gemiddelde”. Of deze dan: “bereidheid van bewoners om mee te doen aan monitor van onderzoeksbureau bereikt lachwekkend dieptepunt.” Maar nee, De Limburger liet zich meesleuren door de meer hysterische percentages van Het Bureau.

De website van Het Bureau laat een condensspoor van franjetaal achter. Van den Bighelaar en Honig schrijven over zichzelf: “Wij bieden verschillende soorten onderzoeken aan, zoals marktonderzoek, tevredeneheidsonderzoek en burgerpeiling. Na het afronden van de onderzoeken adviseren wij u graag verder. Onze doelstelling is u te ondersteunen tijdens het totale proces van onderzoek en advies. Het uitgangspunt hierbij is dat u als klant centraal staat en het onderzoek aantoonbaar resultaat biedt.”

Tevredeneheidsonderzoek (een spelfout in het totale proces)u-als-klant-centraal, aantoonbaar resultaat. Zo, zo, denk je dan en je vraagt je af: wat kost zo’n 93%-onderzoek nou? Het voelt niet echt veilig.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Cameratoezicht in Amsterdam

De VVD in Amsterdam is enthousiast over het cameratoezicht in de stad. ”Cameratoezicht heeft zich bewezen als een effectief middel” aldus fractievoorzitter Robert Flos in het Parool. Het raadslid is zo enthousiast dat hij met een initiatiefvoorstel cameratoezicht komt. Hierin staan 10 voorstellen om Amsterdam met meer, flexibeler en slimmer cameratoezicht veiliger te maken.

Nu is het lastig om de effectiviteit van interventies als cameratoezicht aan te tonen. Minimaal is hier een zogenaamde nul-meting (hoeveel incidenten waren er voordat er cameratoezicht werd ingesteld) en een na meting (hoeveel incidenten zijn er na de invoering van het cameratoezicht) voor nodig. En dan is er een vergelijking nodig. Een vergelijkbaar gebied zonder cameratoezicht. Alleen zo weet je of een eventuele verandering niet door andere factoren – bijvoorbeeld zwaarder straffen – verklaard kan worden. En het camera toezicht mag eigenlijk geen onderdeel van een pakket aan maatregelen zijn. Is het dat wel, dan weet je niet meer in hoeverre een verandering aan het cameratoezicht, of aan een van de andere onderdelen van het pakket is toe te schrijven.

Flos baseert zijn ferme conclusie vooral op de ‘Evaluatie cameratoezicht op openbare plaatsen (viermeting)’, van Regioplan. Maar de auteurs van dit rapport zijn zich terdege bewust van de moeilijkheden van dit type onderzoek. Ze schrijven niet voor niets dit:  ‘Omdat niet alle evaluaties een controlegroep hebben verwerkt in het onderzoek, moet voorzichtig worden omgegaan met de resultaten van de evaluatie en kan niet worden gesproken in termen van effectiviteit.’ (p.22) En: ‘Waar het cameratoezicht wordt geëvalueerd, gebeurt dit in de meerderheid van de gevallen nog steeds niet op dusdanige wijze dat er harde uitspraken kunnen worden gedaan over de effectiviteit van cameratoezicht.’ (p.24) Het staat allemaal in scherp contrast met de VVD conclusie dat ‘Uit landelijk onderzoek blijkt dat camera’s helpen criminaliteit te bestrijden’. Ik zou bijna denken dat ik een ander rapport gelezen heb.

Wat zegt het rapport van regioplan – met bovenstaande kanttekeningen in acht genomen – dan wel over het gebruik van cameratoezicht? Op de eerste plaats over de objectieve veiligheid. Neemt het aantal incidenten af?

‘Het beeld van het effect dat cameratoezicht heeft op de objectieve veiligheid, is net als in eerdere metingen niet eenduidig. Zo wordt in drie evaluaties een afname van geweld geconstateerd. Daar staan echter twee evaluaties tegenover die een toename van geweld in het cameragebied laten zien. In vijf gemeenten is een afname van overlast en/of vandalisme gemeten in de cameragebieden. Ook daar staan echter twee gemeenten tegenover waar een toename wordt gezien.’ (p.23)

Over de subjectieve veiligheid dan. Zijn mensen zich veiliger gaan voelen na de plaatsing van camera’s?

‘Het antwoord op die vraag is in alle vijf gemeenten positief. In vier evaluaties werden de veiligheidsgevoelens op één moment aan bewoners, bezoekers of ondernemers gevraagd. Uit die evaluaties blijkt dat de meerderheid zich veilig voelt in de cameragebieden. In twee evaluaties is gevraagd naar de opvattingen over cameratoezicht. Ook daaruit komt een positief beeld naar voren.’ (p.24)

We weten dus op basis van de evaluatie niet of het cameratoezicht daadwerkelijk tot een afname van het aantal incidenten leidt. Wel lijken mensen zich veiliger te voelen in gebieden waar cameratoezicht aanwezig is. Nu zou je zou kunnen zeggen dat alleen deze toegenomen subjectieve veiligheid al genoeg reden is om het cameratoezicht uit te bereiden. Toch?

Neem een arts die een patiënt heeft waarvan hij of zij vermoedt dat de klachten een sterke psychologische component hebben. Zo’n arts zou de patiënt een placebo kunnen voorschrijven. De klachten zullen dan waarschijnlijk afnemen en de patiënt zal zich – subjectief – beter voelen. Toch wordt dit als onethisch gezien. Een arts mag de patiënt namelijk niet voor de gek houden. En als een arts dat niet mag, mag een VVD raadslid dat dan wel?

Geplaatst in Veiligheid & terrorisme, Wetenschap & Maatschappij | Tags: , , , | 3 reacties

Sleutelkinderen

De effecten van de rigoureuze bezuinigingen op de kinderopvang worden zichtbaar. De NOS spreekt van steeds meer ‘sleutelkinderen’ in een reportage van 7 maart. Ouders maken vooral veel minder gebruik gemaakt van de BuitenSchoolse Opvang (BSO), met name ouders met een laag inkomen. Zij blijken de BSO niet meer te kunnen betalen en omdat zij werken, zijn zij gedwongen hun kind met alleen een sleutel naar huis te laten gaan. Is dat erg? Als klinisch en forensisch psycholoog is mijn antwoord: Ja, dat is potentieel zeer zorgelijk.

Onderzoek heeft aangetoond dat toezicht houden op je kind (‘monitoring’ in de Engelse vakliteratuur) een van de belangrijkste kenmerken van goed opvoeden is. Ouderlijk toezicht betekent dat je als ouder(s) actief het leven van je basisschool-kind structureert, bijvoorbeeld door afspraken met vriendjes te regelen met/voor je kind; je kind naar sport of andere gestructureerde activiteiten te laten gaan en door op de hoogte te zijn waar je kind is (bijvoorbeeld door je kind mobiel te bellen, contact te hebben met de ouders van zijn/haar vrienden). Als een kind in de puberteit komt, moeten ouders hun manier van toezicht houden aanpassen omdat de actieradius van hun kind groter wordt en pubers vaak intensief optrekken met leeftijdgenoten. De basis voor de ouder-kind relatie en de kwaliteit van het toezicht, wordt al in de basisschool-periode gelegd.

In 2011 verscheen een overzichtsartikel van Jensen Racz en McMahon in het tijdschrift Clinical Child and Family Psychology Review, waarin het onderzoek naar de rol van ouderlijk toezicht van de afgelopen 10 jaar wordt besproken. In een notedop komt het erop neer dat er een consistente link is tussen zwak toezicht en agressieve en antisociale gedragsproblemen bij kinderen en adolescenten.  Oudertrainingen die effectief de gedragsproblemen van kinderen verminderen, zoals PMTO (www.pmto.nl) en Triple P, zijn gericht op het verbeteren van basis opvoedingsvaardigheden, waaronder effectief toezicht houden, regels stellen en navolgen, realistische verwachtingen over het gedrag van je kind hebben en investeren in een warme, positieve relatie met je kind.

En wat doet onze overheid? Die bezuinigt op de BSO, waardoor juist de gezinnen waar al veel stressfactoren spelen (bijvoorbeeld alleenstaand ouderschap, laag inkomen, achterstandswijk, zwak sociaal netwerk) niet veel andere keus hebben dan hun kinderen na schooltijd een sleutel meegeven. De kans dat deze kinderen zonder adequaat toezicht met de verkeerde ‘vrienden’ omgaan, neemt natuurlijk aanzienlijk toe. Ik voorspel een toename van het aantal kinderen dat uiteindelijk met justitie in aanraking komt. Die kosten uiteindelijk een veelvoud van een aantal uur BSO in de week. Maar dat is blijkbaar niemand een zorg.

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | Tags: | Een reactie plaatsen

The Jerusalem syndrome

Jeruzalem is om vele redenen een bijzondere stad, niet in het minst vanwege zijn religieuze betekenis. Voor joden is er de allerheiligste klaagmuur, christenen beleven er op de Via Dolorosa de lijdensweg van Jezus, en moslims bidden er in de Al-Aqsa moskee, na Mekka en Medina de derde heilige plaats binnen de Islam. Maar deze religieuze betekenis heeft ook een keerzijde. De stad kent namelijk zijn eigen ziektebeeld: The Jerusalem syndrome.

Menig in ogenschijnlijk goede gezondheid verkerende toerist die de stad bezoekt voelt de overweldigende aanwezigheid van god, wordt overvallen door religieuze sentimenten en waant zich na enkele dagen de messias. Ieder jaar doen zich ongeveer 100 van dit soort gevallen voor, waarvan er 40 daadwerkelijk worden opgenomen in een van de lokale psychiatrische klinieken. Het is zelfs Homer overkomen (‘Have you ever noticed that dad always gets the disease they write about in the inflight magazine?’).

Kritiek is er uiteraard ook. Het syndroom is in de classificatiebijbel van de psychiaters – the Diagnostic and Statistical Manual (DSM) – niet te vinden. En menig patiënt blijkt toch al een psychiatrische aandoening te hebben op het moment dat hij of zij naar Israël afreisde. De stad lijkt daarmee vooral symptomen van een reeds bestaande aandoening aan te wakkeren, en niet zo zeer de oorzaak van een nieuwe – unieke – psychose te zijn.  Daarnaast is - op een totaal van 2 miljoen toeristen – 40 gevallen eigenlijk helemaal niet zo veel. In ieder geval niet veel meer dan in andere grote steden. En trouwens, ook Florence en Parijs maken aanspraak op hun eigen ziektebeeld. Niet te verwarren met Stockholm trouwens.

Tot slot dan nog goed nieuws: mensen zonder religieuze achtergrond lijken immuun voor het syndroom. Mijn familie hoeft zich dus niet direct zorgen te maken. En mocht het syndroom onverwachts toch de kop op steken, de behandeling is eenvoudig. Vertrek uit Jeruzalem en de symptomen verdwijnen als sneeuw voor de zon.

http://www.wired.com/magazine/2012/02/ff_jerusalemsyndrome/

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen

The Muppets van Liliane

Tegenwoordig kun je met een volle spaarkaart bij de Albert Heijn (AH) allemaal poppen uit de Muppetsserie krijgen. Zoals Kermit de Kikker en Miss Piggy. Natuurlijk leuk voor kinderen. Dan kunnen ze de knotsgekke avonturen van de Muppets naspelen. De poppen zijn zo populair dat ze bijna uitverkocht zijn. 

Maar hey! In het basisonderwijs rukken de poppen nu ook op. Andere poppen, dat wel. Je ziet er steeds meer poppenvilla’s. Als het kind met de bewoners wat knotsgekke avonturen uithaalt, zijn de rapen gaar. Wat de villa’s zijn bedoeld om – houd je vast, want het is lelijke taal –  “vroegsignalering van kindermishandeling te detecteren”.

Ontwerpster Liliane Limpens is er vrij zeker van op haar site (http://www.vroegsignaleringmetpoppenvilla.nl/):  “[k]inderen die opgaan in het poppenspel kunnen aan oplettende leerkrachten [subtiele] signalen van nood afgeven.” En verder schrijft ze dit: “[Kinderen] hoeven niet persoonlijk te verraden of te ontmaskeren, dat doen de poppen voor hen. Kinderen kunnen zo gesignaleerd en/of geholpen worden als ze stille slachtoffers zijn van kindermishandeling/huiselijk geweld.” Het achterliggend idee is dat kinderen via de poppen “signalen afgeven” als er iets niet pluis is “in hun thuissituatie”. Oftewel: de poppen zijn geschikt om te laten zien dat kinderen mishandeld of misbruikt worden. Voor wie niet gehinderd wordt door enig kennis van zaken, mag het allemaal koosjer klinken. Vooral slachtoffertjes die nog niet goed kunnen praten, zouden op deze manier iets van hun achtergrond kunnen duidelijk maken. Het idee is allang achterhaald. In de jaren ’90 is er veel onderzoek gedaan naar het gebruik van poppen en of ze er inderdaad voor zorgen dat kinderen meer accuraat worden in hun rapportages. De conclusie: poppen maken kinderen praatgraag. Ze komen met meer juiste, maar ook met meer onjuiste details over “de thuissituatie” (zie bijv. http://psycnet.apa.org/journals/xap/6/1/74/). Dit komt omdat zulke poppen speel- en fantasiegedrag uitlokken bij kinderen waardoor ze dus zowel accurate als foutieve details opnoemen of aanwijzen.  Deze bevindingen hebben er toe geleid dat in Nederland het gebruik van poppen tijdens het politieverhoor van jonge getuigen of slachtoffers wordt afgeraden. Het zou goed zijn als basisscholen nog eens naar dit advies kijken.

Of nog beter: Liliane Limpens en de basisscholen die al gebruik maken van haar poppen zouden het materiaal naar de AH kunnen brengen. Voor een nieuwe ronde Muppets met knotsgekke avonturen.

Geplaatst in Uncategorized | 9 reacties

“We need to talk about Kevin en Karst en Tristan en Anders en…”

Eindelijk ben ik weer eens naar de film geweest, en dan ook nog een met forensische signatuur—nou zeg maar gerust: het rode goedje spat letterlijk van het doek af. Het boek “We need to talk about Kevin” van Lionel Shriver uit 2003 is verfilmd door regisseuse Lynne Ramsay, met Tilda Swinton in de hoofdrol.

 Image

Hier in het kort de plot: Eva Katchadourian was voor ze kinderen kreeg een avontuurlijke schrijfster van reisverhalen. Maar dan wordt ze verliefd op Franklin en krijgt kinderen. Eerst een jongen (Kevin) en acht jaar later nog een meisje (Celia). Een koningsgezin, volgens het cliché, maar het betekende wel het einde van de oude, wilde Eva.

Aan het begin van de film is duidelijk dat Kevin (gespeeld door Ezra Miller) in de gevangenis zit na het plegen van een massamoord op zijn middelbare school. Daarvóór heeft hij zijn vader en zijn jongere zusje vermoord, allen met een high tech pijl en boog. In de film zien we vervolgens in talrijke flashbacks dat de band tussen moeder en zoon Kevin altijd moeizaam is geweest. Kevin was een extreem lastig kind. Een huilbaby, die later halsstarrig weigert zindelijk te worden, en zijn moeder waar en wanneer maar mogelijk het bloed onder de nagels vandaan haalt. Er ondertussen wel altijd voor zorgend dat zijn goeiige vader dat niet doorheeft.

Eva is in de flashbacks te zien als de gekwelde moeder, die zich afvraagt of zij niet medeschuldig is aan het bloedbad. Franklin (gespeeld door John C. Reilly) is zo sympathiek dat je hem (bijna) vergeeft dat hij als vader wel heel makkelijk de kant van zijn zoon kiest. Voor Franklin lijkt het belangrijker om de schone schijn van het perfecte gezinnetje op te houden dan om ‘te praten over Kevin’.

Als Celia’s hamster plotseling dood is en Celia blind is geworden aan één oog door contact met een agressief schoonmaakmiddel, vermoedt Eva dat Kevin hier de hand in heeft. Eva’s achterdocht en Franklin’s neiging om zijn zoon te verontschuldigen, leiden uiteindelijk tot forse relatieproblemen.

De film eindigt twee jaar na de massamoord. Eva bezoekt Kevin in de gevangenis. Hij is angstig omdat hij spoedig overgeplaatst zal worden naar een gevangenis voor volwassenen. Eva vraagt hem waarom hij de moorden heeft gepleegd en hij antwoordt dat hij niet meer weet waarom. Het is een van de weinige keren dat Kevin en zijn moeder echt contact hebben.

De film is spannend en heeft iets van een horror-movie, maar zit vooral vol met diepere lagen en roept vragen op. De focus van de film ligt bij de onmacht van de moeder, niet bij de zoon. Toch vraag je je af wat er met hem aan de hand is: nature en/of nurture? Eva wordt door de mensen in haar buurt gehaat en gepest omdat zij de moeder is van een massamoordenaar. Is dat fair? Is zij niet minstens zo getraumatiseerd als alle andere slachtoffers van het bloedbad? Eva laat haar zoon niet in de steek, ondanks wat hij heeft aangericht. Ze probeert hem te begrijpen, ze zoekt naar antwoorden, ze blijft contact met hem zoeken.

Er is een verontrustend aspect dat ik in geen van de filmrecensies die ik over Kevin gelezen heb, ben tegen gekomen. Dat is de vraag of het ethisch is om een bloedige massamoord waarbij gebruik wordt gemaakt van pijl en boog (een noviteit; we zien Kevin er regelmatig in de tuin mee oefenen) te verfilmen. Het zou ontspoorde geesten op ideeën kunnen brengen. Uit eerdere gevallen, bijvoorbeeld Tristan van der V. de dader van de massamoord in Alphen aan den Rijn in 2011, is bekend dat massamoordenaars zich vaak laten inspireren door (films van) eerdere massamoorden. De filmpjes van Eric Harris en Dylan Klebold schietend op Columbine High School gingen de wereld over. Films en gewelddadige videospellen zijn nooit de enige oorzaak, maar ze kunnen wel een bijkomende rol vervullen in de cocktail van factoren, zoals psychische stoornissen (bijvoorbeeld, paranoïde psychose, psychopathie), het gevoel een outcast te zijn, en recente mislukkingen of afwijzingen, die de daders over de drempel doen stappen. Als er over een paar jaar voor het eerst een massamoord met pijl en boog plaatsvindt, zullen mensen toch aan Kevin moeten denken.

Voor lezers die zich verder willen verdiepen in de mind van massamoordenaars is er sinds kort een nieuw boek op de Nederlandse markt:

Onder andere te bestellen via: http://www.kok.nl/authors/index/details/id/99421

 

 

Geplaatst in Veiligheid & terrorisme, Wetenschap & Maatschappij | Tags: , | 2 reacties

Bigfoot Award voor Ameling en Bogaerts

Heel kort hoefde de jury maar na te denken. De Bigfoot Award 2011 gaat naar voormalig Pieter Baan Centrum medewerker Ernst Ameling en hoogleraar forensische psychologie Stefan Bogaerts voor hun verbluffende analyse van de snelwegschutter.

Erudiet, minutieus en lucide, zo roemde de jury de typering van de schutter die Ameling in een radio-interview maakte. En dan Bogaerts. Wie was niet onder de indruk toen hij in dagblad Metro liet optekenen dat het de schutter vooral te doen was om de sensatieprikkel. “Schieten op een wagen en enkele uren later het bericht op de radio horen is spannend”, aldus Bogaerts in deze krant.

Twee weken geleden liet de KLPD weten dat de snelwegschutter niet bestaat. Dat maakt – zo vond de jury – de prestatie van Ameling en Bogaerts juist zo formidabel.

Heren. Gefeliciteerd!

Geplaatst in Veiligheid & terrorisme, Wetenschap & Maatschappij | Tags: , , | 6 reacties

Steven Pinker in Jeruzalem

Gisteravond gaf Steven Pinker een lezing hier in Jeruzalem. Pinker is hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Harvard en auteur van bestsellers als The Language Instinct en How the Mind Works. Hij is het type geleerde dat de grote maatschappelijke thema’s niet schuwt. Zo ook niet in deze lezing, die ging over zijn nieuwste boek: The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined.

De boodschap van Pinker is positief: historisch gezien leven we in een tijdperk met weinig geweld. Hij staafde deze stelling met een overvloed aan statistieken, die hij bij gebrek aan een projector voortdurend in de lucht moest tekenen. Allemaal met het zelfde patroon: een sterke afname over tijd. Zo blijkt uit een analyse van gerechtelijke documenten dat de kans dat de gemiddelde Engelsman wordt vermoord sinds de 14de eeuw met een factor tussen de 30 en de 100 is afgenomen. Maar een eeuw met twee wereldoorlogen. Hoe kan die vreedzaam zijn? In de 20ste eeuw kwamen zo’n 40 miljoen mensen om in een oorlog. Honderdtachtig miljoen als we de doden door ziekte, honger en genocide meerekenen. Maar dan nog gaat het in totaal om 3 procent van de wereldbevolking. Ter vergelijking: uit de archeologische literatuur blijkt dat rond de 20% van skeletten uit de oudheid kenmerken van een geweldadige dood zoals een ingeslagen schedel vertoont.

Een oorzaak van de afname van geweld zoekt Pinker vooral in de geciviliseerde samenleving, die empathie en zelf- en impulscontrole sterker beloont dan evolutionair overgeerfde eigenschapppen als agressie en dominantie. Het your loss is my gain principe van plunderen heeft plaats gemaakt voor een win/win principe binnen de huidige economie. En het monopolie op geweld hoort tegenwoordig toe aan de staat. Waar in de middeleeuwen gruwelijkheden als radbraken en vierendelen aan de orde van de dag waren, en op vergrijpen als zakkenrollerij de doodstraf stond, wordt tegenwoordig slechts nog bij hoge uitzondering – en vaak onder luid protest – de doodstraf voltrokken. 

Voor mij draaide het verhaal van Pinker vooral om perspectief. Gebeurtenissen als de schietpartijen van de Noor Breivik en Tristan van der Vlis, maar ook de aanslagen op de de Twin Towers voeden onze indruk dat we in een onveilige samenleving leven. Hoe tragisch ook, historisch gezien zijn het magere fluctuaties binnen een langdurig afnemende trend. De uitgebreide media aandacht bestaat – paradoxaal genoeg – misschien wel juist bij gratie van het feit dat deze incidenten tegenwoordig relatief zeldzaam zijn. Betekent het dat we achterover kunnen leunen en onze zegeningen kunnen tellen? Natuurlijk niet. Maar het perspectief dat we momenteel in het meest veilige tijdperk ooit leven is geruststellend. Helemaal in een tijd waarin menig politicus en krant je graag anders doen geloven.

Geplaatst in Veiligheid & terrorisme, Wetenschap & Maatschappij | Tags: , , | 2 reacties